« Pittoreskste der haiku’s
» Dværgen percussionist

Uncategorized, Video, lomogrammen, muziek

Het herbarium van Riki Takeuchi

09.16.09 | 1 Comment

Slaapdronken schreed ik waards de glorierijk glorende statie van de bus die me naar de Heverleese hooggebergten zou voeren, alwaar ik een van mijn laatste werkdagen bij de lokale afdeling van Tyskland in de spontaan in bloed, glitter en stofdeeltjes exploderende ogen keek. Ik moest nog steeds denken aan de film die ik de dag voordien (doch in werkelijkheid drie weken later) had gezien; Det perfekte menneske (Jørgen Leth, 1967). In de korte film werd op een satirisch kritische manier de, naar de normen van toenmalige Deense bourgeoisie, perfecte mens voorgesteld. Laat me trouwens ook The five obstructions aanbevelen, waarin niemand minder dan Lars Von Trier (van wiens nieuwe Antichrist ik TROUWENS een bootleg-kopij verkregen heb via een mijner snuff-minnende en piraterij bedrijvende, en inmiddels dus waarschijnlijk overleden, contactpersonen) Leth uitdaagt Det perfekte menneske vijfmaal te remaken, telkens binnen absurde artificiële richtlijnen. Sommige van deze nieuwe versies van het sixties filmpje leggen een nog grotere nadruk op de cynische ambiguïteit van het origineel. De bus naar Heverlee arriveerde. Mijn valse snor weer goedkrullend toonde ik mijn vervoerbewijs aan de blinde chauffeur en begaf me naar één der vrije plaatsen achteraan het stalen landtuig. Tegenover mij nam een jongeman plaats die ik doorheen betreffende zomer al meermaals op deze bus had gezien. Hij had een vreemde, en wat mij betreft afstotelijke, uitstraling die suggereerde dat hij in alles wat hij deed streefde naar een veilige middelmatigheid. “Zou hij de perfecte mens zijn”, dacht ik bij mezelf. Hij moet halverwege de twintig zijn geweest. Hij had dubieus piekjeshaar dat enige voeling met hedendaagse (wel, post-jaren-80-) cultuur suggereerde, maar dat kort genoeg was om niet al te vrijdenkend/buitennissig over te komen. Hij donde een bril die van ontwerp neutraal genoeg was om zijn jeugdig uiterlijk -eerdervermeld kapsel en zijn gladgeschoren gezicht- een zekere sérieux mee te geven. Hij gedroeg zich als pogend uitdrukkelijk geen aandacht naar zich toe te trekken. Niet vriendelijker of minder vriendelijk dan noodzakelijk en lichtjes op zijn hoede voor zijn allochtone medemens. De jongen zou best wel eens de perfecte mens kunnen zijn. Ik haat die asshole alvast!
Fastforward naar een drietal weken later…

Ik zat in een auto aan de drive-in van voedselketen Quick, gesitueerd in de ondergrondse parkeergarage van een bioscoopcomplex. Terwijl ik wachtte op mijn bestelling (waarvan de onderdelen in teken van een sociaal experiment de vorm van ledematen moesten hebben; een verzoek dat de jongedame die de bestelling opnam met de manager moest bespreken, vooraleer ze erop kon of mocht ingaan), schalde de autoradio de tango die ik ken uit Un Chien Andalou, maar waarvan ik titel en uitvoerder nog steeds niet achterhaald heb. Verderop in de parkeergarage, vlakbij een dienstuitgang van het restaurant, zat een Quick-bediende op een stoel een hamburger te eten. Zijn Quick-uniform benadrukte nog eens zijn reeds van nature androgyn uiterlijk. Toen plots. Een hevige paniek leek zich van hem meester te maken. Hij sprong recht en rende als bezeten door de kwade god Alexandros voorbij het voertuig waarin ik me bevond, de parkeergarage uit. Zelf verontrust door het onverwacht drossen van de hamburgerjongen speurde ik de claustrofobie voedende ruimte af naar welke klopgeest dan ook die hem had verjaagd, bij Zeus. “WAT THE FUCK IS HIER AAN DE HAND”, blafte ik in mijn gealarmeerdheid naar mijn autogenoten, waarvan ik de namen uit discretie niet zal vermelden. “IK WEET HET NIET! IK WEET HET NIET! Het is niet goed”, schreeuwde de ene terug, terwijl de ander al even getormenteerd iets probeerde uit te leggen over een relatie tussen tetracarbonyl, waanvoorstellingen en DODELIJKE gesteenten. De intense paniek was alomtegenwoordig. “UW BURGERS, pak ze toch aan, ALSTUBLIEFT”, hoestte de doodsbange Quick-kassierster vanuit het drive-in afhaalloket ons toe terwijl ze krampachtig de papieren door ons bestelde shitty eetwaren bevattende zak aanreikte. “NIET AANNEMEN”, waarschuwde ik de chauffeur, ondanks de terreur die ik waarnam op het gezicht van de kassierster, een terreur zo krachtig dat ze permanente gelaatslijnen, littekens, in de huid van het meisje zou nalaten, “WAT JE OOK DOET, NEEM DIE BURGERS NIET AAN”. De laatste verstaanbare woorden die ik me herinner gingen over “gebundelde energie”. Ik weet niet meer wie ze uitsprak. Misschien de kassierster. Hoewel alle geluid wegviel en enkel een atmosferisch geruis hoorbaar bleef, nam de desoriënterende opschudding enkel toe. Al snel had ik moeite mijn aandacht af te wenden van de grote metalen afvalcontainer die achter de stoel stond die net voor deze mysterieuze toestand bezet werd door de androgyne man met de burger. Terwijl ik zowaar compulsief naar het metalen gevaarte staarde, leken de contouren van de container uit te lopen, als natte inkt of waterverf, samenvloeiend met de omgeving onherkenbare patronen vormend. Het was alsof ik plots inzag dat de “normale” vorm van de afvalcontainer niet echt was en dat ik nu pas, door gedwongen te worden het voorwerp goed te bekijken, in staat was zijn ware abstracte vormen te identificeren. Ik was me niet langer bewust van de auto of de garage vanwege het beeld dat maar bleef vervormen voor mijn ogen, en dat uiteindelijk, na wat ik ongeveer een twintig minuten schatte, de vorm aannam van een grote vuurhaard. Vlammen, zonder omgeving of context. En midden in dat vuur ontstond een soort tweedimensionaal vlak van vlammen, waarop, of liever: waarin, zich beelden begonnen te vormen. Filmbeelden als het ware. De beelden toonden een ontzenuwing. In close-up! In detail! Ik had al aardig wat fucked-up dingen gezien in mijn tijd, maar dit was mijn eerste ontzenuwing. Na de eerste fasen van de ingreep leek ik opnieuw te kunnen bewegen. Ik draaide mijn hoofd en zag temidden de nachtmerrieachtig anonieme ruimte een kleine muziekband in jaren ‘50 kledij. Ik draaide mijn hoofd naar de andere zijde en stelde vast dat in mijn linkerhand een stylophone rustte. Daar we nog steeds geen klank hadden stelde ik de band voor om samen de ontzenuwing van een soundtrack te voorzien. Ze vonden het een goed idee. We maakten muziek tot zonsopgang.

1 Comment

have your say

Add your comment below, or trackback from your own site. Subscribe to these comments.

Be nice. Keep it clean. Stay on topic. No spam.

You can use these tags:
<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <code> <em> <i> <strike> <strong>

:

:


« Pittoreskste der haiku’s
» Dværgen percussionist